Zonder dat we het doorhebben, tekenen we elkaar. Dat kán goed uitpakken – of juist helemaal niet.

In onderstaand fragment uit Bestie (Vertaald door F.J.P. Verbrugge, gepubliceerd in De Revisor) vertelt Federigo Tozzi over zijn vriend Migliorini; een landarbeider die, je verwacht het niet, Orlando Furioso voorleest aan zijn collega’s en mede daardoor op grote bewondering kan rekenen van de hoofdpersoon. Maar dan doet hij iets wat niemand had zien aankomen…

Migliorini is een man die voor een bepaalde som per dag de grond bewerkt; bijna alle seizoenen verandert hij van baas, en hij is goed in het snoeien van druiven.

Van een vriend van hem die uitdrager is, heeft hij op een keer de Gerusalemme en de Orlando* gekocht: tien delen van dat papier dat op oude lappen lijkt, en met een plaatje boven iedere zang. Wanneer het tijd is om te rusten, haalt hij uit zijn hengselmand die hij aan een tak van een boom heeft hangen een deel te voorschijn, en leest hij de andere eruit voor.

Het jaar dat ik hem leerde kennen, ging hij als het regende een grot in dicht bij mijn boerderij, waar ze met moeite met zijn tienen in konden, zittend op een eind dor hout of op snoeitakken. Overal druppelde water, en naar beneden sijpelend van de stam van een perzikboom die nagenoeg dwars voor de ingang was gegroeid, vormde het een poel precies middenin.

Maar door met de hak een greppeltje te graven en met de losse aarde een dam op te werpen, had Migliorini ervoor gezorgd dat ze hun schoenen niet meer nat hoefden te maken. Na een vuurtje te hebben aangestoken, roosterde hij dan de sneden brood, waarbij hij ze aan een twijg stak die hij ronddraaide, terwijl hij de Orlando opengeslagen op een dij hield en met het andere been knielde.

Ik zou zo direct helemaal verstijfd zijn.

Bij ieder octaaf gaf hij op zijn manier commentaar, en dan zei hij: ‘Luister eens hoe mooi het is! Is het niet net echt?’ En met zijn lange vingers vol aarde sloeg hij dan op het boek. In een paar woorden wist hij het verhaal van ieder personage te vertellen, en hij had een antwoord op alle vragen die zijn makkers hem stelden. Hij had gaten in zijn oren, maar hij wachtte tot een oom van hem doodging die hem twee messing ringen zou nalaten.

Hij droeg zijn haar lang van achter, zoals een meisje bij wie het net weer begint te groeien nadat het geknipt is. Hij had zijn hoed tot vlak boven zijn ogen, en hij was erg lang. Wanneer hij naar huis ging, schoof hij zijn hengselmand tot aan zijn elleboog aan zijn arm; ‘s winters had hij een donkerblauwe jas, en aan zijn hoed had hij in plaats van het gewone lint een stuk zwarte kant, zoals vrouwen dragen.

Op een keer liet hij, toen hij een pad zag, zien hoe je die doodmaakt: met een vinger haalde hij de pruim tabak uit zijn mond waar hij op aan het kauwen was, en na die op de punt van zijn mes te hebben gestoken, duwde hij hem in de keel van het dier. De pad begon te trillen en werd zo goed als geel; beurtelings deed hij zijn ogen, die nu kleiner en glanzender leken, open en dicht.

Toen de baas kwam omdat de schafttijd om was, gaven ze het beest dat inmiddels al dood was een trap zodat het onder aan de steile helling neerkwam, waar ze gaten voor de wijnstokken aan het maken waren.

En toen ze vorig jaar een groot waterbekken schoonmaakten zo vol verrotting en zo groen dat het wel een moeras leek, naast een eiken- en kastanjebos vol rotsblokken en zwarte wortels, visten ze de padden uit het water met een net gemaakt van ijzerdraad, om ze daarna in een emmer te doen.

Toen de emmer tot de rand toe vol was, maakten ze met een schop een gat in de grond en ze propten de padden daarin. Daarna bedekten ze hen met aarde, en na de grond te hebben aangestampt, lieten ze er een van de zwaarste rotsblokken op achter die daar lagen.

Ik liep van de ene boom naar de andere zonder iets te zeggen, wat het zou onmogelijk geweest zijn hen op te laten houden, en ik was helemaal wee van binnen. Maar hoe vulde zich mijn mond met speeksel, dat op kwijl leek, toen ik een vrouwtjespad zag die op een groot zacht pak leek! En doordat ze me aankeek met die ogen van haar, ogen als van een lelijk meisje, misschien doordringender dan de mijne, voelde ik me onwel worden.

Maar twee jaar geleden moest ik, na het invallen van de schemering, om thuis te komen langs een paadje langs de rand van een beek, en bij iedere stap moest ik opzij voor de wilgen en de populieren. Mijn ongenoegen groeide met de schaduwen, en niets was er erger dan de ijzige avondkou.

Langs de beek kwamen de nevels op, de wilgen drupten, met druppels die even bleven vastzitten aan het uiteinde van de neerhangende bladeren, de populieren waren vochtig. De heuvels werden donker, en het bewerkte land werd zwarter. Hier en daar zag ik bij een boerderij een verlicht raam. De kerkklokken hadden al geluid, en hun echo’s hadden me van een blauw geleken, zo donker en stil als de rode deuren van de gesloten hutten stil waren, en de verlaten dorsvloeren.

Omdat de weg lang was, liep ik al gauw in het donker, en aangezien ik geen gezelschap had, ging ik langzamer al werd mijn haast om thuis te komen groter. Wat een naargeestige, stille treurigheid!

Af en toe haakte een braamstruik, waarvan de takken over de grond lagen, zich vast aan mijn broek; alvorens me los te maken, profiteerde ik van het oponthoud om lucht te geven aan mijn ongenoegen terwijl ik keek naar de duisternis achter me.

Maar de hele beek zat vol padden, van waar ik vandaan gekomen was tot waar ik naar toe ging, ook zo ver weg nog dat de verste maar nauwelijks te horen waren, en hun stemgeluid dat me rustig voorkwam maar dat in werkelijkheid iets bevends heeft, troostte me.

Al de andere padden herinnerde ik me toen die ik dood of in doodsstrijd had gezien! Die waarvoor ze een strik hadden gemaakt met een wilgetwijg en die ze bungelend hadden achtergelaten; de pad die via zijn onderlijf aan een aangepunt riet was geregen: het riet kwam er bij de bek weer uit, en het bloed droop dik en donker naar beneden; die waarvan ze met stenen alle vier zijn poten hadden verpletterd; de pad die blind was gemaakt met kolen uit het gloeiende vuur; die waarvan de buik was opengereten door een haal met een snoeimes; de pad die was verpletterd onder de wielen van een kar, met opzet; de pad die de lucht in was geslingerd door een klap op een plankje dat in wankel evenwicht was opgesteld; die waarop het verloofde stel had staan stampen: dat zijn de padden die ik heb zien sterven, in stilte, met die ogen van hen die glinsteren in het donker.

Pff, heftig

De vraag die dit stuk bij me oproept is: had die man dat wel mogen doen? En dan heb ik het nog niet eens over de marteling van die arme padden want dat spreekt voor zich, maar over het voortdurende effect ervan op de mens met een iets zwakkere maag, zoals Tozzi.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.