Over de haan (of hoe je jezelf voor de gek kunt houden)

Scroll down to content

FRAGMENT

Evelien is met haar gezin op Ibiza. ‘s Nachts, als iedereen slaapt, realiseert ze zich dat ze zichzelf heeft verloochend. 

Photo by Yaro Felix Mayans Verfurth on Unsplash

Ik lag naast het zwembad, rookte de ene peuk na de andere en negeerde de kou die uit de grond was opgerezen en zich aan me had vastgeklampt omdat het schouwspel dat zich boven me voltrok veel te spectaculair was om te negeren. De sterren fonkelden aan de hemel. De ene nog lichter dan de andere.

     Ik moest het Taeke vertellen. Maar wanneer? En hoe? En als ik dat gedaan had, wat hoopte ik er dan mee te bereiken? Het zou hem alleen maar kwetsen. Bovendien was Kees even slim als origineel en geniaal. Maar hij was ook gewoon een praatjesmaker. En iedereen wist dat je met praatjesmakers geen relatie moest aangaan.

     Alleen met mijn gedachten lag ik aan het zwembad totdat de wijn op was en de zon opkwam. Een haan kraaide, een schaap mekkerde, een vogel begon te fluiten. En al snel klonk er een kakofonie aan geluiden van dieren die de nieuwe dag inluidden.

     Het is wat het is, het gaat zoals het gaat en het wordt zoals het wordt. Dat zou een goede non-dualist gezegd hebben. Maar ik was geen dier dat was onderworpen aan de grillen van zijn gemoed, honger, angst en wil om te overleven. Ik was een moderne, hoogopgeleide vrouw die voor dit leven had gekozen. Daar kon ik toch niet ineens op terugkomen? Al helemaal niet met het zweverige excuus dat ik niet mijn gedachten ben, maar dat mijn gedachten enkel door me heen stromen.

     Mijn hoofd was zo zwaar van alle gedachten dat ik in een vreemde twilightzone belandde. En in die twilightzone waren Kees en ik ineens weer samen. Zijn arm om me heen, zijn vingers in mijn haar. Mijn hoofd op zijn schouder. Ik rook die heerlijke muskusachtige lucht, voelde zijn warme adem op mijn kruin neerslaan, bewoog mee op het ritme van zijn borstkas en voelde me rustig zoals ik alleen bij hem rustig kon zijn. ‘Zolang je blijft vasthouden aan je gedachten, blijf je op zoek,’ zei hij zacht. ‘Laat het los. Je zult zien dat je dan moeiteloos leeft. Zelfs nu.’

     De haan kraaide weer.

     ‘Ja,’ schamperde ik terwijl ik het glas wijn boven mijn mond hield en wachtte tot die ene druppel op mijn opgezwollen tong viel, zoveel peuken had ik gerookt. ‘Dat komt jou wel goed uit, hè? Als ik mezelf overgeef aan mijn dierlijke instincten. En straks, als we hebben geneukt, zit je ineens in het Westerpark met Chantal of Linda of Susanne. En dan loop ik toevallig langs en hoor ik je tegen haar zeggen: “Hoe kun je God daar nou niet in zien?”

     De haan kraaide opnieuw.

     Over God gesproken. Hoe zat het ook alweer met die haan? Wie had Jezus nou drie keer verloochend voordat de haan kraaide? Of kraaide de haan drie keer en verloochende hij hem toen? Ach, wat deed het ertoe? Zolang ik mezelf verloochende, had ik geen haan nodig. Ik was mijn eigen haan. Ik had een lap over de lamp gehangen en net gedaan of het licht er niet was.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *