Komt een vrouw bij de relatietherapeut

Scroll down to content

FRAGMENT

Evelien en Taeke zitten bij de heks van Genova: een controversiële psychotherapeute die gebruikmaakt van de Davanloo methode. 

Hoe een glimmende zonnebril ineens de deur blijkt naar je gevoelswereld

Photo by Sai Kiran Anagani on Unsplash

‘Jij bent boos,’ zei ze.

     Ik had verwacht dat ze Taeke een standje zou geven, hem zou vragen waarom hij dat gedaan had. Niet dat ze haar pijlen meteen op mij zou richten. ‘Ik ben helemaal niet boos,’ mompelde ik beledigd.

     ‘Jawel,’ zei ze alsof zij beter wist wat ik voelde dan ik.

     ‘Niet.’

     ‘Je zit met gebalde vuisten voor me.’

     Ik keek naar beneden. Mijn knokkels waren inderdaad wit.

     ‘Há,’ hoonde ze. ‘Maak jij dat de kat maar wijs, dat je niet boos bent.’

     ‘Nou,’ begon ik met een piepstem. ‘Hoe zou jij het vinden als…’

     ‘Piepiepiepiepiep,’ onderbrak ze me.

     Haar reactie was zo ongewoon en onverwacht dat ik spontaan begon te lachen.

     ‘En nu zit je weer dom te lachen,’ zei ze hatelijk.

     De lach verdween op slag van mijn gezicht.

     ‘Goed zo,’ zei ze. ‘Als je lacht, ga je je gevoel uit de weg.’

     Ik keek naar Taeke. Hij glimlachte bemoedigend.

     ‘Ga er nu eens in,’ stelde ze voor.

     Ik wist nog steeds niet goed of ik nou moest lachen of huilen.

     ‘Haal die handen voor je gezicht vandaan!’

     Erin. Natuurlijk. Ik moest erin. Maar waarin precies?

     ‘Erin,’ zei ze streng. ‘Ga erin.’

     Als ik wist hoe het moest, had ik het al gedaan.

     ‘Als je Taeke zo ziet staan,’ begon ze.

     Wat had Taeke ermee te maken? Dat beest in mij zat er al ver voor ik hem kende. Net als die stem die alles kapot wilde maken.

     ‘Op die boot met al zijn vrienden,’ vervolgde ze.

     Ik herinnerde me die idiote video.

     Dit wil ik je niet onthouden.

     Wat een gek.

     ‘Zingend en juichend alsof er niets aan de hand is…’

     Met die grote, glimmende zonnebril op zijn neus.

     ‘Wat wil je dan met hem doen?’

     Ineens begreep ik het. Ik wist wat ze bedoelde met ‘erin gaan’, wat ik moest doen om daar te komen. Kees had het me verteld. Over zijn moeder en haar hoofd op een spies. Over zijn vader en zijn ingewanden op straat. Ik begon zenuwachtig te lachen, wist me geen houding te geven.

     ‘Niet lachen!’

     Waarom had ik me laten overtuigen? Ik was niet ziek, niet dood vanbinnen. Er was niets met mij aan de hand. Ik had een geweldige jeugd gehad. Ouders die hun best hadden gedaan. Er viel niemand iets te verwijten, behalve mezelf.

     ‘Evelien, wat wil je met hem doen?’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *